De noodzakelijke spiritualiteit van geweldloosheid

In een interessant artikel dat onlangs op de wereld morgen verscheen, werd de link gelegd tussen de de gevolgen van de occupy beweging, anti-militarisme en de geweldloze strijd voor een nieuwe wereld. Hoewel ik heel wat conclusies van het artikel niet in twijfel trek wil ik toch op twee blinde vlekken duiden die al te vaak over het hoofd worden gezien door de hedendaagse vredesbewegingen.

De eerste blinde vlek werd duidelijk in de volgende paragraaf: “Er bestaat een bepaalde theorie over sociale bewegingen die beweert dat een beweging die succes wil boeken, moet beschikken over een erg duidelijke en specifieke boodschap. Maar de huidige bewegingen strijden voor meer dan een of andere kwestie of cosmetische verandering. Ze zijn op zoek naar een radicale, fundamentele verandering van ons politiek en economisch systeem.”

Met een dergelijke uitspraakt creëert men een valse dichotomie want men plaatst het streven naar concrete doelen tegenover het streven naar systemische verandering . Men doet daardoor alsof het laatste beter is dan het eerste en vergeet dat elke maatschappelijke omwenteling er maar komt door stapje per stapje de grens van het onrecht terug te dringen. Systemische omwenteling is daarom wel degelijk de intentie van elke daad van burgerlijke ongehoorzaamheid maar om die intentie ook concreet uit te werken moet men ook steeds heel concrete daden van actieve geweldloosheid stellen. Wie dat niet doet vervalt in inhoudsloos geroep dat nooit serieus zal genomen worden door zij die de macht uitoefenen.

Dat is dan meteen ook het gevaar van de voorbije occupy-beweging in New York en elders: door niets concreet te bereiken hebben zij misschien meer slecht dan goed gedaan. Zij die de macht uitoefenen zijn immers tot geen enkele toegeving gedwongen. Daardoor bestaat de kans dat die zogeheten 1% nu nog meer dan ooit het gevoel heeft gegeven dat zij nog altijd absoluut niet verplicht is om rekening te houden met de verzuchtingen van de 99%.

Echte geweldloze actie kiest zijn doel daarom heel strategisch en wijkt niet tot het bereikt is. Echte geweldloze actie duwt de machtigen met de rug tegen de muur. Want van zodra de machtshebbers toegeving moeten doen, omdat ze weten dat de geweldloze anders nooit zal opgeven, komt er een scheur in de fundering van hun ivoren toren.

Gandhi tijdens de zoutmars

Dat wordt maar al te duidelijk uit de geweldloze strijd voor onafhankelijkheid van Mahatma Gandhi. De omwentelingen in de Indische geschiedenis bracht hij maar stelselmatig teweeg door keer op keer heel gerichte actie te voeren en vol te houden. Een handvol zout uit de zee was veel meer waard dan grootse optochten. Hadden de betogers van die tijd slechts een plein in Delhi bezet, dan zou de Britse overheid enkel eens neerbuigend gelachen hebben. Maar een handvol zout doorbrak de wet en wanneer het duizenden handen vol zout werden, die allen weigerden de taksen te betalen, zat de Britse overheid met een probleem.

Dat brengt me tot de tweede blinde vlek: men vergeet al te vaak dat echte geweldloosheid net dat ene stapje verder gaat. Dat ene stapje waar het lastig wordt om nog door te doen. Maar het is net ook dat ene stapje dat nodig is om de machtshebbers schrik aan te jagen, precies omdat zij er uiteindelijk op rekenen dat de machtelozen nooit dat ene stapje verder zullen durven gaan.Belangrijk daaraan is natuurlijk wel dat men beseft dat een dergelijke actie van burgerlijke ongehoorzaamheid veel minder vrijblijvend was dan de occupy beweging van de laatste maanden of de tocht van de indignados. He niet betalen van de zouttaks zorgde er immers voor dat duizenden betogers in de gevangenis belanden – en, hoe geweldloos zij zelf ook waren, vaak werd hen behoorlijk wat geweld aangedaan.

Dat ene stapje verder gaan is echter niet eenvoudig. Het vraagt moed. Het vraagt uithoudingsvermogen. En het vraagt standvastigheid. Niet van één individu, maar van een hele massa. En het feit dat men reageert op een systeem, het feit dat men massaal verbolgen is op bepaalde onrechtvaardigheden of het feit dat een grote groep mensen dezelfde kwesties aanklaagt, volstaat daarvoor niet. Ook dat werd duidelijk uit de occupy-beweging want ze verdwijnt op dit moment weer in de anonieme massa, net zoals ze eruit ontstaan is, met als enige resultaat de hoop dat ze op zekere dag weer zal opstaan en het dan misschien wat beter zal doen.

Ook hier kunnen we echter leren van de Mahatma. Want waar hij zelf telkens opnieuw op hamerde is spiritualiteit. In onze seculiere tijden en maatschappij wordt het meestal snel onder de mat geveegd, maar Gandhi was er heel duidelijk over: het is spiritualiteit die de mensen verder brengt. Niet enkel het aanklagen van onrecht, maar vooral de zoektocht naar waarheid doet een mens zichzelf overstijgen. Niet enkel de gebalde vuist van het “genoeg!”, maar vooral de open hand van de wil tot vrede doet mensen volhouden.

Gandhi droeg dan ook iets in zich dat we ook terug vinden bij Martin Luther King en bij allen die in hun voetsporen traden: een diep gewortelde bezieling. Ze bezaten een intense begeestering die de louter intellectuele en menselijke analyses overstijgt. Het is van daaruit, en niet vanuit het ‘correcte ideologische kader’, dat zij tot dat ‘stapje meer’ in staat waren.

Het gaat me daarbij uiteraard niet om een specifiek geloof, een enkele religie of een concrete levensbeschouwing. Elk van die grote geweldloze voorvechters van een nieuwe wereld vertrok immers vanuit zijn of haar eigen religieuze achtergrond. Waar het echter op neer komt is dit: hun eigen bezieling werd ook voor anderen begeestering. Ze vochten tegen onrecht maar bouwden aan een spiritualiteit die in staat was om eenieder de moed, uithoudingsvermogen en standvastigheid gaf die nodig was om het onrecht blijvend te weerstaan zodat de neerbuigende lach van de machtigen al gauw van hun gezicht verdween.

Share