Is een letterlijke koranlezing het probleem?

Een veel gehoorde stelling luidt dat fundamentalistische islamitische groeperingen hun Koran letterlijk nemen. Dit zou de theologische en schriftuurlijke onderbouwing bieden voor hun geweldsdaden. Het is een gedachte die niet alleen door islamcritici wordt geuit, maar ook door moslims zelf wordt verwoord.

Zo’n idee vloeit voort uit de veronderstelling dat oude, traditionele vormen van geloof per definitie een kwestie waren van bijgeloof en gebrek aan (wetenschappelijk) inzicht. Letterlijke lezingen worden dan gezien als het gevolg van ‘niet beter weten’ en meer symbolische lezingen als een moderne stap vooruit in een correcter begrip van de heilige boeken. Deze stap wordt ook als noodzakelijk gezien om het geweld, dat in die boeken vervat zit, achterwege te laten. Daar horen echter heel wat kanttekeningen bij.

Nu is het zeker zo dat de theologie van extremisten een totaal gebrek toont aan meer symbolische, metaforische en allegorische lezingen van haar heilige teksten, maar dat betekent helemaal niet dat zij daarom een ‘oorspronkelijke’ en ‘letterlijke’ lezing aanhoudt.

In de eerste plaats is het belangrijk te begrijpen dat een symbolische lezing van heilige boeken helemaal geen moderne vernieuwing is. Zo beschrijft Karen Armstrong in haar laatste boek hoe een letterlijke lezing van bijbelverhalen eigenlijk een modern fenomeen is. Ze geeft daarbij het voorbeeld van Calvijn en de wijze waarop hij zijn ongenoegen uitsprak over ‘de krankzinnigen’ die het scheppingsverhaal letterlijk namen. Vóór de zestiende eeuw was het immers vanzelfsprekend om dat soort bijbelverhalen allegorisch te lezen.

In de islamitische wereld was dat niet anders. De uitspraak van de profeet, bijvoorbeeld, dat de ondergaande zon naar Gods Troon gaat en er zich in aanbidding neerlegt vooraleer uit het Oosten weer op te komen, werd door bijzonder weinig moslims ooit letterlijk genomen.

Daarnaast is het ook belangrijk dat een werkelijk letterlijke lezing niet per definitie tot geweld leidt. Wie bijvoorbeeld de passages rond strijd in de Koran opzoekt, zal al snel merken dat het zo goed als altijd om ‘verdedigend’ geweld gaat. Geweld wordt er enkel gelegitimeerd als verzet tegen onrecht en ingeperkt door randvoorwaarden, zoals het verbod op doden van burgers en het correct behandelen van krijgsgevangenen.

Zelfs het befaamde ‘zwaardvers’ – dat in een niet historisch-contextuele lezing volgens sommigen expliciet lijkt op te roepen om ongelovigen te lijf te gaan – wordt meteen gevolgd door de volgende verzen: “Maar als ze berouw tonen, geregeld bidden en aalmoezen geven, geef hen dan de vrije ruimte. Want Allah is vaak-vergevend en uiterst barmhartig. En indien één van de afgodendienaren om jouw bescherming vraagt, biedt hem dan deze bescherming zodat hij het woord van God kan horen; en breng hem dan naar een veilige plaats – aangezien zij onwetend zijn.” (9:5-6)

Daarnaast is de Koran op heel wat plaatsen erg duidelijk dat de rechtvaardigheid van gangbare wetten het misschien wel toelaat om onrecht te bestraffen – en soms met geweld – maar dat vergiffenis en mededogen uiteindelijk de voorkeur verdienen.

Slechts één voorbeeldje daarvan is: “Het vergelden van kwaad kan gebeuren door te handelen in overeenstemming met het kwaad dat werd aangedaan. Maar diegenen die vergeven en de relatie herstellen, zullen door God beloond worden. Indien iemand onrechtvaardig behandeld werd en vervolgens zichzelf wreekt, kan hem weinig kwalijk genomen worden. Schuld treft diegene die onderdrukt en het land terroriseert. Voor hen zal er een eeuwige straf zijn. Maar diegene die met geduld weerstaat en vergeeft, handelt in overeenstemming met de goddelijke wil.” (42:40-43)

Wie de Koran dus werkelijk letterlijk wenst te nemen en zo veel mogelijk aan ‘de wil van God’ wenst te voldoen zou net heel wat geweldloosheid en vergevingsgezindheid moeten tonen. Daarin is de Koran wel heel ‘letterlijk’. (Alle hoofdstukken, behalve één, beginnen trouwens met het aanroepen van God als de Eeuwig barmhartige en Vergevende.)

Wie daarentegen op zoek gaat naar verzen die agressief militant optreden vergoelijken, die moet heel wat interpretatie toepassen. Die moet een keuze maken van heel specifieke passages en een (letterlijke) lezing van de begrenzende verzen die er onmiddellijk op volgen, achterwege laten. Het probleem is dus niet een ‘literalistische lezing’ maar wel een ‘militaristische lezing’ van de Koran.

Maar waar komt zo’n lezing vandaan? In elk geval niet uit de traditionele vormen van religieuze interpretaties. In lijn met zowel de symbolische als de letterlijke betekenis van de verzen in de Koran, bepleitte de meerderheid van de klassieke islamitische juristen en exegeten een begrensde vorm van geweld en een gerichtheid op vrede.

Wanneer we echter weten dat de gevolgen van de Amerikaans-Britse invasie in Irak lang voor de opkomst van Daesh (IS) meer dan 1 miljoen slachtoffers maakte en 4 miljoen vluchtelingen op de been bracht, wanneer we weten dat de top van Daesh uitgemaakt wordt door figuren die hoge militaire functies uitoefenden onder het regime van Saddam, wanneer we weten dat de oranje kledij van hun gevangenen een rechtstreekse verwijzing is naar Guantanamo, wanneer we weten dat Daesh niet louter overleeft op ideologie maar hun voortbestaan grotendeels bestendigd wordt door een internationale handel in olie, dan lijkt een militaristische lezing van een fenomeen als Daesh uit een heel andere context voort te vloeien.

Een militaristische lezing van eender welke Heilige Schrift, vloeit niet vanzelf voort uit de teksten. Het is een lezing die ontstaat in een amalgaan van gewelddadige factoren en die pas de kop op steekt wanneer men (al dan niet bewust) blind wordt voor de geweldloze tegenstem in de teksten.

Ook voor christenen is dat natuurlijk zo. De Bijbel biedt heel wat passages die aanzetten tot geweld kunnen legitimeren (en die ook dikwijls militaristisch zijn geïnterpreteerd). Maar wie een werkelijk letterlijke lezing van het Evangelie aanhoudt, kan er niet omheen dat Christus bijzonder onomwonden stelt dat het allereerste gebod erin bestaat God te beminnen en dat het tweede gebod daaraan gelijk is, met name “uw naaste beminnen zoals uzelf”. (Mt. 22: 37-39) In een écht letterlijke interpretatie moeten alle andere geboden en verboden dan ook aan deze twee geboden getoetst worden.

Dit alles is echter niet louter een ‘wist-je-datje’ over de theologie van Daesh of andere extremisten. Het gaat veel dieper dan dat. Want net zoals we heilige teksten militaristisch kunnen lezen, kunnen we ook de gehele werkelijkheid militaristisch lezen.

Wanneer we de actualiteit en de geschiedenis in louter militaristische termen lezen, dan zullen we enkel militaire oplossingen aandragen. Wanneer we echter de actualiteit en de geschiedenis in een meer holistisch perspectief plaatsen, kunnen we misschien andere mogelijkheden zien en vredegerichter worden. Want dan kunnen we ook naar geweldloze figuren verwijzen, zoals Sint Franciscus, George Fox, Mansur al-Halladj in de wat verdere geschiedenis of Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Abdal Ghaffar Khan in meer moderne tijden. En dan kunnen we, net als die figuren, onze inspiratie voor meer vredegerichtheid grotendeels halen uit… jawel… heilige boeken.

Share