Religieus radicaliseren is het gevolg, niet de oorzaak van geweld

Hoezeer aanhangers van Daesh (IS) zich ook van een islamitische retoriek bedienen, hun schrikbewind en aanslagen zijn niet los te koppelen van heel wat andere motieven die nauw verbonden zijn met bredere geopolitieke realiteiten. De eerste verslagen van ooggetuigen die de aanslagen overleefden maakten dat opnieuw snel duidelijk. Zo was radiopresentator Pierre Janaszak aanwezig in de Bataclan en kwam hij er heelhuids weg. Terwijl hij zich met anderen in de W.C.’s verschuilde, hoorde hij de militanten duidelijk zeggen: “Het is de schuld van Hollande, het is de schuld van je president. Hij had maar niet moeten tussenkomen in Syrië.”

Het brengt meteen de getuigenis van de Franse journalist Didier François in herinnering. Deze werd 10 maanden lang gegijzeld door Daesh en uiteindelijk vrijgelaten in 2014. In een interview op CNN gaf hij aan dat zijn gijzelaars vaak tegen de gevangenen predikten. Maar, zo stelde hij vrij duidelijk: “Ze probeerden meer in onze hoofden te hameren wat zij geloofden dan dat ze ons iets over de Koran bijleerden. Het heeft niets met de Koran te maken. We hadden niet eens een Koran ter beschikking en ze wilden er ons ook geen geven.” In een verder gesprek met het Franse magazine ‘Slate’ voegde hij daar aan toe: “Ze zijn religieus vanuit hun standpunt maar wij voerden nooit theologische discussies. Onze gesprekken waren vooral politiek.”

Ook het ‘radicaliseringsverhaal’ van de Kouachi broers, de daders van da aanslag op het Charlie Hebdo kantoor, laten een zelfde patroon zien. Toen ze jong waren, bezochten ze zelden de moskee en waren ze heel wat meer in Cannabis geïnteresseerd dan in de Koran. En wanneer Cherif Kouachi in 2005, vlak voor hij naar Irak wou afreizen, gearresteerd werd op verdenking van het beramen van terroristische daden, stelde hij in zijn verklaring: “Ik was klaar om op het strijdveld te sterven. (…) ik geraakte daarvan overtuigd toen ik op T.V. de onrechtvaardigheden zag. Ik bedoel daarmee de martelingen die de Amerikanen de Iraki’s aandeden.” De verslagen van die verklaringen gaven ook aan dat Cherif tot de conclusie was gekomen dat “jihad gerechtvaardigd is in elke plaats op aarde waar er onrecht heerst; wat in Irak gebeurde was in zijn ogen zo’n onrecht.”

Het huidige conflict in Irak is nu eenmaal niet het gevolg van één of andere oude vete tussen religieuze fracties, maar rees wel op uit de brokstukken van een land dat totaal verwoest werd door meerdere opeenvolgende oorlogen – oorlogen waarin Westerse grootmachten steeds opnieuw betrokken waren.

Dat (religieus) radicaliseren niet zozeer de oorzaak maar vooral het gevolg is van geweld, valt dan ook steeds moeilijker te ontkennen. Ook in de andere delen van de ‘Oorlog tegen terreur’ wordt dat dagelijks duidelijk. Het veelvuldige gebruik van drones in Afghanistan en Pakistan, bijvoorbeeld, zorgt helemaal niet voor dat het terrorisme wordt ingedijkt. Integendeel, het zorgt er net voor een gestage toename van ‘terroristen’.

Dat zie je in de verklaringen van de Pakistaans-Amerikaanse Faisal Shahzad, die gevat werd vooraleer hij op 1 mei 2010 in Times Square een bomauto wou laten ontploffen. Tijdens zijn proces vroeg de rechter hem hoe hij in staat zou kunnen zijn om de dood van zoveel onschuldige kinderen op zijn geweten te hebben. Zijn antwoord luidde: “Wel, de drones in Afghanistan en Irak, zij zien gien kinderen, zij zien niemand. Ze doden vrouwen, kinderen – iedereen. Het is oorlog en in oorlog vermoord men mensen. Ze vermoorden moslims… Ik ben een deel van het antwoord aan de V.S. die moslimlanden en de moslimgemeenschap terroriseert. En in hun naam wreek ik die aanvallen. Amerikanen trekken zich enkel het lot aan van hun eigen mensen maar niet van mensen die elders in de wereld sterven.”

Het sluit nauw aan bij enkele uitspraken van Michael Flynn, een voormalige directeur van zowel de Defense Intelligence Agency (de inlichtingendienst van het departement van defensie in de VS) als JSOC (één van de belangrijkste eenheden in de militaire antiterrorisme operaties van de VS). Enkele maanden geleden ging hij uitgebreid in debat met journalist Mehdi Hasan in het Aljazeera-programma ‘Head to Head’. Daarin gaf hij onomwonden toe dat de ‘Oorlog tegen terreur’ weinig effect heeft. Meer nog, “Als je naar 2004 terugkijkt en je spoelt door naar 2014, dan zie je dat. Het aantal groeperingen dat door onze overheid als terroristen wordt aangeduid is namelijk verdubbeld.”

Niettemin besloot de Franse regering om slechts twee dagen na de aanslagen van vrijdag 13 november om de stad Raqqa te bombarderen met twaalf gevechtsvliegtuigen. De kans dat er evenveel onschuldigen om het leven kwamen als in Parijs is niet irreëel. Alleen lijken journalisten in hun berichtgeving over deze luchtaanvallen daar niet erg om bekommerd.

Zo blijven we de vicieuze cirkel telkens opnieuw vakkundig in stand houden.

Men staart zich blind op de specifieke religieuze achtergrond van één partij in het conflict die in naam van Allah mensen vermoorden. Maar in naam van democratie en mensenrechten worden eveneens dagelijks heel wat onschuldigen om het leven gebracht.

Het gangbare discours van ‘de oorlog tegen terreur’ is daardoor bijzonder moeilijk te volgen. In conflictengebieden als Irak, Syrië, Afghanistan, Yemen en Pakistan, wie zijn daar ‘de goede soldaten’ en wie zijn ‘de slechte terroristen’? Het enige wat zeker is, is dat miljoenen mensen geterroriseerd worden – door zowel mannen met als zonder baarden.

De vraag is niet hoe we religieus extremisme tegen gaan, de vraag is hoe we de cirkel van geweld doorbreken.

Share