Ongeloof in altruïsme

Vaak hoor ik mensen zeggen dat ze van mening zijn dat iedereen uiteindelijk alles uit eigenbelang doet. Zelfs een ander helpen, doet men maar omdat men er zelf gelukkig van wordt of omdat men zich slecht zou voelen wanneer men niet helpt, zegt men dan. Al hoor ik nu al jarenlang datzelfde argument, nog steeds kan ik niet vatten waarom een dergelijke redenering zo breed gedragen wordt.

Uiteraard is het zo dat puur altruïstische daden niet zomaar voor het grijpen liggen. Zelfs heel wat grootse projecten die zogezegd werden opgezet ter wille van armen en de noodlijdenden, blijken vaak meer een zoektocht naar zelfverheerlijking dan een werkelijke zelfgave te zijn. Onder de wil om te helpen schuilt immers bij heel wat mensen ook een diepe nood aan aandacht, waardering en status.

Ik begrijp dus wel dat men zich vragen stelt bij de eerlijkheid van heel wat zogezegd altruïstische daden en ik geef dan ook toe dat men inderdaad niet moet gaan dwepen met een of andere zeemzoete ethiek. Altruïsme is niet vanzelfsprekend. Het is naïef van niet te beseffen dat de zelfgave van heel wat mensen om enige nuance vraagt.

Maar al spreek ik gezonde nuancering van altruïsme zeker niet tegen, het ongeloof in altruïsme mag ook wel eens genuanceerd worden.

Wat mij in de eerste plaats steeds opvalt, is dat het ongeloof in altruïsme eigenlijk een soort legitimering wordt van de hedendaagse levensstijl. Het lijkt me een al te gemakkelijk manier om individualisme en hedonisme goed te praten. Nuancering van altruïsme kan ik best aanvaarden, maar wanneer de boodschap is: “Het kan toch niet, dus het heeft geen zin van het na te streven” dan trek ik die graag in twijfel, want dan is het slechts een verantwoording om niet eens altruïstisch te proberen zijn.

Het is niet omdat ‘zuiver altruïsme’ soms wat moeilijk te bereiken lijkt, dat men alle mogelijke vormen van naastenliefde moet ontkennen.

Enkele weken geleden hielp ik een blinde over ’t straat. Ik zie de man wel vaker in een winkelstraat vlakbij mijn deur, waar hij op zijn melodica wat deuntjes speelt. Af en toe verhuist hij van standplaats en zo ook die avond. Aan de drukke overweg gekomen vroeg hij of iemand hem kon helpen oversteken. Enkele mensen negeerden hem en liepen hem zonder meer voorbij. Hij riep dus maar wat luider. “Kan iemand me helpen oversteken, alsjeblief?!” Ik stapte snel naar hem toe en sprak hem aan. Hij bedankte me, haakte zijn arm in de mijne en een gezellige babbel later stonden we aan de overkant van de baan. Deed ik dat nu om mijzelf goed te voelen?

Deed ik het omdat ik me schuldig zou voelen indien ik hem niet hielp? Als dat zo is, waarom deden de andere voorbijgangers dat dan niet? Is mijn gedrag werkelijk tot eigenbelang te herleiden? Of heb ik die man gewoon heel eventjes willen helpen? Zowel mijn hoofd als mijn hart lijken dat laatste toch redelijk intuïtief te aanvaarden.

Een ander voorbeeld. Het is deze dagen volop winter, dus de griep is opnieuw in het land en velen zijn al eens een paar dagen ziek. Gelukkig worden heel wat zieke volwassenen zacht gekust door hun zorgzame partner en worden heel wat grieperige kinderen in de watten gelegd door hun liefdevolle ouders.

Is dat egoïsme? Helpt men hoestende partners of koorts verbijtende kinderen omdat men zichzelf daar beter door voelt? Al gaat het maar om een kleine wintergriep, verzorgt men hen werkelijke enkel en alleen omdat men zichzelf slecht zou voelen als men dat niet doet? Het geweten zou waarschijnlijk wel knagen indien men niet hielp, maar daarom is dat nog niet de reden waarom men het doet. Mij lijkt het toch niet zo onbegrijpelijk van gewoon aan te nemen dat mensen hun partners of kinderen verzorgen omdat zij die nu eenmaal graag zien, lijden willen besparen en dus wat extra moeite gaan doen.

Waarom zouden we daar onbewuste drijfveren in gaan zoeken? Het kan best wel zijn dat er dikwijls ook een paar onbewuste drijfveren mee gepaard gaan – want elke mens zit nu eenmaal wel hier of daar met zijn eigen ziel in de knoop – maar dat betekent niet dat de initiële drijfveer niet heel eenvoudig werkelijke naastenliefde kan zijn.

Een laatste voorbeeld misschien, dat het alledaagse overstijgt. Enkele dagen geleden hoorde ik een lezing van Jo Berry. Deze Britse dame verloor haar vader, de politicus Sir Anthony Berry, zo’n 25 jaar geleden in een bomaanslag van de IRA. Samen met hem stierven nog vier andere mensen in deze behoorlijk bekende ‘Brighton hotel bombing’. Het hoeft geen betoog dat de aanslag haar leven van de ene dag op de andere compleet veranderde. Het nodige rouwen en lijden waren er zeker ook voor haar. Maar ze weigerde van zich door dit lijden te laten overmeesteren. Geïnspireerd door haar Gandhiaanse spiritualiteit besloot ze om met Ieren en ex-IRA-leden in contact te komen om hen beter te leren begrijpen en haar eigen lijden een plaats te geven. Uiteindelijk zocht ze zelfs Patrick Magee, de bommenlegger, op.

Deze ontmoeting was het begin van het schijnbaar ondenkbare: een vriendschap. Zonder te vergeten of te verzwijgen dat Magee en zijn IRA-ideologie de oorzaak van de moord op haar vader waren, groeiden ze toch naar elkaar toe en leerde zij de mens achter de dader te zien.

Sommigen denken misschien dat dit laatste voorbeeld niets te maken heeft met altruïsme omdat het over vergeving gaat. Maar vergeven is natuurlijk de grootste – want vaak ook de moeilijkste – vorm van (zichzelf) geven. Het is immers de ander weer een bestaan gunnen in je eigen bestaan. Het is de ander weer toelaten in een hart dat gesloten was.

In tegenstelling tot wat men dus vaak denkt, liggen de voorbeelden van altruïsme wel degelijk voor het grijpen. Toch voor wie ze wil grijpen. Wie niet gelooft dat een mens tot echte zelfgave kan komen ontkent eigenlijk een reële dimensie van het bestaan want altruïsme omringt ons evenzeer als al het egoïsme waar we ons zo vaak blind op staren.

Dus neen, het heeft geen zin van te doen alsof het er niet is, en ja, het is het waard van te streven naar groter altruïsme in ons eigen handelen.